Heimat

heimat.jpg

 


Heimat

 

Clara Bolle

 

Vader, Vati,

Je houdt mijn hand vast.

Niemand is thuis,

De houten hut, een vlucht

Naar een savanne van donkergroen.

 

Meesters van het woud,

Het denken is

In mijn hoofd geboren.

Gezworen te trouwen

Met het verlangen.

De grijze weduwenaar

Ontvangt mij met open armen.

 

Broer, Bruder,

Onze communiekleren

Bleken in de witte zon.

We lopen gezamenlijk

Rondom de ijzeren bron.

 

Wuivende heuvels,

Een pad tussen

Houten pilaren.

Vaderland, moedertaal,

Een kruisje om mijn nek

Opdat ik niet vergeten zal.


 

Heimat

 

Clara Bolle

 

Father, Vati,

You hold my hand.

No one is home

The wooden cabin, a refuge

To a Savannah of dark green.

 

Masters of the wood.

Thinking is

Born out of my head.

Sworn to marry

Longing.

The grey widower

Welcomes me with open arms.

 

Brother, Bruder,

Our holy clothes

Bleach in the white sun.

Together we walk

Around the iron spring.

 

Waving hills,

A path between

Wooden pillars.

Fatherland, mother tongue,

I carry a cross

So that I won’t forget.

Advertisements

Uit de slaap ontwaakt. Over waanzin en kunst

Dit essay heb ik enkele jaren geleden geschreven om na te kunnen denken over hoe filosofie psychiatrische ziekten tot begrip brengt of, beter gezegd, het onvermogen toont om het begrip waanzin een betekenis te geven. Het lijkt er op dat kunst de mediator is tussen rationaliteit en irrationaliteit. De komende tijd zal ik opnieuw aandacht schenken aan het thema psychiatrie, filosofie en de kunsten om te kijken wat er nog meer te ontdekken valt. Dit essay leest als een inleiding of een eerste aanzet tot mijn onderzoek.

 


 

‘De slaap der rede brengt monsters voort’. Op de gelijknamige ets van Francisco Goya zien we een man overmand door vermoeidheid. Wanneer hij in slaap is gevallen en zijn rede tot rust komt, verschijnen de nachtmerrie-dieren in zijn droom. Deze ets van Goya laat zien dat alleen wanneer de rede slaapt, er ruimte is voor de schaduwzijde van het leven, waarin ‘de monsters’ welig kunnen tieren. Welnu, het grootste monster van de filosofie is de waanzin of het begrip waanzin. De waanzin ontsnapt per definitie aan het filosofisch systeem, dat op rationaliteit is gefundeerd. Om grip te krijgen op de waanzin hebben tal van filosofen geprobeerd om vanuit de kunst een greep te krijgen op de waanzin.

Verschillende filosofen vermoeden dat er een correlatie tussen deze twee begrippen bestaat. Zo stelt Martin Heidegger dat de dichter Hölderlin in bescherming is genomen door zijn Griekse goden; Hölderlins waanzin heeft hem, volgens Heidegger, waarschijnlijk gered. De filosoof en psychiater Karl Jaspers zag in het werk van Vincent van Gogh allerlei stadia van waanzin. Ook Michel Foucault ziet een verband tussen kunst en waanzin: ‘daar waar het kunstwerk is, daar is geen waanzin’. Alledrie genoemde filosofen denken vanuit de kunst over waanzin.

Jaspers schrijft in zijn boek Strindberg und van Gogh: Versuch einer vergleichenden pathographischen Analyse niet alleen over de vermeende waanzin van Strindberg en Van Gogh, maar ook over de waanzin van Hölderlin. Zo rond zijn dertigste levensjaar begint de waanzin van Hölderlin zich te manifesteren. Deze vaststelling van Jaspers doet mij denken aan het gedicht ‘Hälfte des Lebens’ (Halfweg het leven) van Hölderlin.

Mit gelben Birnen hänget                                            Met geel van peren
Und voll mit wilden Rosen                                          en vol wilde rozen
Das Land in den See,                                                  helt het land naar het meer,
Ihr holden Schwäne,                                                   lieve zwanen,
Und trunken von Küssen                                             en van kussen dronken
Tunkt ihr das Haupt                                                    duiken jullie halzen
Ins heilignüchterne Wasser.                                        in het heilige, nuchtere water.

Weh mir, wo nehm ich, wenn                                      Helaas, waar haal ik, nu
Es Winter ist, die Blumen, und wo                              het winter wordt, de bloemen, waar

Den Sonnenschein,                                                      het licht van de zon
Und Schatten der Erde?                                              En van de aarde de schaduw?
Die Mauern stehn                                                        Sprakeloos, koud        
Sprachlos und kalt, im Winde                                      staan de muren, weerhanen
Klirren die Fahnen.                                                     krijsen in de wind.

 

Dit gedicht gaat over het einde van Hölderlins leven, dat voor hem in zicht is. Het is winter in het leven van Hölderlin. De gedachte aan de dood maakt hem eenzaam. Op zich lijken dit heel normale gevoelens, maar toch krijgt het gedicht een andere dimensie zodra men zich realiseert dat het gedicht geschreven is toen Hölderlins waanzin opkwam. Hierover zegt Jaspers hierover het volgende:(…) (ich) empfinde bei der Lektüre des vierten Bandes der v. Hellingrathschen Ausgabe durchaus auch im Sprachlichen, formalen eine andere Atmosphäre (…)’.

Net zoals bij Hölderlin zoekt Jaspers in het werk van Van Gogh symptomen van diens waanzin. Door Van Goghs kunstwerken in te delen in zes stadia tussen 1886 en 1890, ziet Jaspers het verloop van Van Goghs waanzin. Tot 1888 ziet Jaspers nog weinig van Van Goghs waanzin in zijn kunst, maar vanaf 1888 signaleert hij een zekere spanning in Van Goghs werken. Dat wil zeggen: Jaspers merkt dat er sprake is van een ‘Dynamik der Striche’. In de schilderijen van Van Gogh uit 1890 ziet Jaspers dat de waanzin nu echt doorgedrongen is in de kunst:Elementare, wuchtige Impulse, die sich nicht mehr schöpferisch reich, sondern eintöniger auswirken’.

Vanuit de filosofie heeft Foucault kritisch nagedacht over hoe de psychiatrie als instituut functioneert. Ook heeft Foucault scherpe kritieken ontwikkeld op de onderzoeksmethoden in de psychiatrie en de psychologie. Onder het mom van objectiviteit en inzichtelijkheid neemt men in deze vakgebieden onderzoeken af, die vervolgens in statistieken worden verwerkt. Echter, volgens Foucault is deze objectiviteit slechts schijn. Door te meten en een gemiddelde te nemen, legt men mensen langs een meetlat waaraan ze óf voldoen óf afwijken. Om te ontsnappen aan deze normatieve werking van de psychologie, neemt Foucault een vlucht naar een taal die per definitie níet op communicatie is gericht. Het grommen, gillen, krijsen en schreeuwen van de schrijver en dichter Artaud voldoet hier aan. Volgens Foucault ‘behoort de waanzin van Artaud tot zijn oeuvre’. Foucault denkt dat vanuit de kunst, de waanzin opgenomen zal worden in de maatschappij, en niet langer bestreden zal worden: ‘Artaud zal op de bodem van onze taal staan en niet de breuk met haar betekenen, de neurosen zullen tot de constitutieve vormen (en niet tot de afwijkingen) van onze maatschappij behoren’.

Het is echter de filosoof die de relatie tussen waanzin en kunst projecteert op de realiteit. De filosoof geeft een bijzondere betekenis aan waanzin, door waanzin met kunst te verbinden. De filosoof doet dit, zodat de filosofie de waanzin kan begrijpen, de waanzin kan plaatsen. Aan afschuwelijke lichamelijke ziekten zoals kanker kennen wij géén artistieke eigenschappen toe, maar door de waanzin artistiek te noemen, kan de filosoof afstand nemen van de échte, niets ontziende waanzin. De filosofie brengt alles tot begrip, maar misschien moet zij accepteren dat niet alles gearticuleerd kan worden binnen de taal van het denken.

 

.Image result for de rede francisco goya

Francisco Goya

 

(Dis)engagement bij Jean de Groote

image1.jpeg

Jean de Groote

image2.jpeg

Jean de Groote

Jean de Groote

Ziehier: drie schilderijen van dozen in de kleur wit, rood en grijs. Het zijn doodnormale dozen, die wij misschien hebben gebruikt voor boodschappen, paperassen of tekeningen van onze kinderen. Een doos is nooit zomaar een doos. De eenvoudige vorm is snel omgetoverd tot hut, tot kasteel, tot schatkist. De verbeelding neemt een loopje met de kijker.

Voor de schilder is datgene wat hij maakt evengoed een raadsel. Met elke penseelstreek lijkt hij zich de realiteit eigen te maken en er tegelijkertijd afstand van te nemen. De benadering van het essentiële blijkt de illusie van een rechthoek. De kunstenaar zweeft tussen twee parallelle werelden: de wereld die aan hem verschijnt en de wereld van het doek. Dat wat werkelijk is, ontsnapt aan zijn vingers.

Dankzij het schilderij leren wij een andere wereld kennen en realiseren wij ons tevens dat die wereld niet van ons is. De schilder, het doek, de kijker, de heilige drie-eenheid die elkaar nooit werkelijk zullen begrijpen. In de nabijheid dreigt de onthechting, zo ook in de schilderkunst. Er is geen zijn, het zalig samenvallen met de wereld; er is slechts een tussen-zijn. Tussen disengagement en engagement verkeren wij allen, kunstenaar of niet.

 

 

De overzichtstentoonstelling ‘Intimicay’ met oa werk van Jean de Groote is te bezoeken van 7.12.18 tot 30.12.18 bij Galerie S&H De Buck in Gent. Voor meer informatie zie http://galeriedebuck.be/ of https://www.jeandegroote.com/.

The Fight

the fight


 

The Fight

 

Clara Bolle

 

A body, an armour

Thousand years

Behind a single strike

A feast for two

The choir is chanting

Rhythm strengthens

The sweeps

 

In these four corners

Lies no retreat

On and on

The spirit moves

To be a predator

And a thief

 

For every swing

A kiss

Pounds, pulses

Breath! Breath!

Sinking deep

Razor blade

 

An eye blinks

Words are dead

Washed up, washed out

Hands up

Gone wild

 

Pacing my life

Away to be one

I’m all in

Gloves

On

Beginning

Beginning

 

Clara Bolle

 

The wind whispers,

Stones clash more than a forever.

Sand tests time in the desert.

 

Rocks fall out of the sky with the speed of light.

Moon and earth, they collide in a dream,

Their firstborn a star.

 

Risen out of the water, the one.

Across the sphere of particles lies being.

Made out of elements, a movement from within.

 

Night awakens from a beginning.

Heaven beams over the sea and the mountains,

Where creatures crawl between the teeth of an hourglass.

 

Dust blows their hearts content.

Atoms spill fragments of what’s between you and me.

Planets turn their heads around and saints bow down

For what was one is now two.

 

A flash of silver, a roar of grief.

Spirits crumbling under the bosom of the trees.

With an iron fist you gutted the lives of gods.

A wicked animal, the rule of destiny.

beginning

 

 

Daphne and Apollo

Lead and gold,

An arrow in my heart.

A prophet, no less,

Lured me out of the silent water

And into the land of trees.

His whispers carry

My feet evergreen.

 

A warrior

strikes his heavy sword.

My shield of bark

Splinters.

Tears trickle down

where once were breasts.

Toes become roots,

A triumph of leaves.

 

Waxing and waning.

You took what’s yours.

The spell is broken,

Eros’ revenge is lost.

Now I must

Crown your head with laurel,

Forever yours to keep.

 

daphne

Satyr

For L.H

 

These wild woods,

unbeknownst to me.

Wood crippled

from afar.

Fire blazing

in my heart.

Clouds filled with ashes.

A northern star.

 

My satyr hides

behind a pine.

His devil horns

I wish not to see.

With marble eyes

he fixes his gaze

on what could have been.

 

In the lake we drown

that what lies beneath.

Not god, nor men

he desires,

but a nymph.

Bound to be beast,

my love rests in my head,

until the sky burns again.

schets bos